Verhalenverteller/Pelgrim

 

verhalenverteller

In de middeleeuwen bestond nog geen radio, tv, krant, internet, twitter enzovoort. In die tijd reisde nieuws veel langzamer dan nu. Als men iets vernam, dat op een andere, verre plaats gebeurd was, kon dat “nieuws”al maanden oud zijn, soms zelfs jaren. Maar zolang de toehoorders er niet van wisten, blééf het “nieuw” voor ze. Sommige nieuwtjes werden steeds wéér verteld, meestal doordat het zulke populaire berichten waren, soms doordat de verteller het zo aardig “bracht”.

Zo trokken soms mensen rond, die overal verhalen vertelden, vaak afgewisseld met gedichten en/of liedjes. Trouwens, de beroemde Rijmkroniek van Jacob van Maerlant toont, dat men destijds de verhalen graag op rijm zette, al was het maar doordat ze dan beter onthouden werden. Zo kon zo’n verhaal “voorgedragen” worden en als er dan ook nog een melodie bij kwam, zoals de priesters bij zowel Joden als Moslims dat doen bij het reciteren van hun heilige boeken, dan kon zo’n verhaal zelfs gezòngen worden. Zodoende is die combinatie van verhaal, gedicht en lied zo dwaas nog niet.

De verhalenverteller liet zich bij het werk bijstaan door een “smartlap”: een doekje, waarop van een verhaal enige scènes afgebeeld waren, vaak daaraan toegevoegd een korte tekst voor de enkeling, die wèl lezen kon. Hij werkte vaak zònder tarief, terwijl de waren van andere ambachtslieden wèl tegen een verkoopprijs te koop aangeboden werden. Want smaken verschillen, dus de verteller kon van te voren nooit weten, hoezeer zijn toehoorder(s) zijn vertelkunsten waardeerde(n). Dùs, hoeveel hij ervoor vragen kon. Zodoende dat hij zijn beloning in geld geheel overliet aan de (mogelijke) vrijgevigheid van zijn gehoor.

Déze verhalenverteller kende vrij wat ellende, eer dat hij “de weg op” ging, om mondeling aan de kost te komen. Hij groeide op in een oud familiekasteel dat even ten noorden van Haarlem staat, pardon, stònd. Het meeste ervan is tegenwoordig door sloop verdwenen. Toch heet het schamel overschot nog steeds het Huis te Zanen. Mijn grootvader was een oersterke kerel, want hij werd zó oud, dat ik hem ook nog meegemaakt heb. En hóé. Hij was ook een verteller, zij het dat hij níét er op uit trok met zijn vertelsels. Doordat de rest van de familie het almaar druk had met van alles, was ik degene, die de meeste van deze verhalen te horen kreeg. Van Romeinen, Batavieren, Karel de Grote, Noormannen, kruistochten, pest epidemiën, hongersnoden, overstromingen, stormen, blikseminslagen, branden, oorlogen en opstanden. Maar over één ding wilde de familie niets horen, alsof het nooit gebeurd was. Hoe Graaf Floris de Vijfde aan zijn eind gekomen was. Want daarbij was ook een voorvader Willem van Zanen betrokken, hoewel niet aktief. Dus hoorde ik het stiekem, in geuren en kleuren.

Na de dood van eerst vader en kort daarna grootvader kwam er familieraad, waarbij een nieuw familiehoofd aangewezen werd. Bij die gelegenheid bracht ik dat grote geheim ter sprake, waarbij ik me hardop erover verwonderde, dat dit nooit verteld worden mocht. Het was toch de wáárheid? Jazeker, maar toch moest ook ìk erover zwijgen: het kon de rest van de familie in gevaar brengen. Wist ik dan niet, hoe het afgelopen was met Herman van Woerden, met Gijsbrecht van Aemstel, om maar te zwijgen van Gerrit van Velsen? Ja, dat wist ik, maar Willem van Zanen had destijds toch niets gedáán? Hij stond erbij en hij keek er naar, meer niet.

Ik werd door die starre houding opstandig, zei dat zelfs Jezus ons geleerd had, de waarheid te vertellen, ook (en misschien wel júíst) als die niet welkom was. Vervolgens besloot men eenstemmig, me de familie uit te zetten, onmiddellijk. Ik werd goed in de kleren gestoken, kreeg goede bewapening en goed geld mee en werd buiten gezet. Midden op de dag werd ik uit de familie weggerukt alsof ik onkruid was. Ik was (en als ik eraan terug denk “bèn”) woedend: weggesmeten alsof ik waardeloos ben, om de wáárheid. Ik besloot om me vanaf dat ogenblik “Oncrwt” te noemen – een w is een dubbele u.

Ik liep naar het oosten, waar het zompige gebied ligt, dat door ons geslacht bestuurd werd. Daar werd ik door vage, maar goede vrienden liefderijk opgevangen, tot ik een ambacht gevonden had en hun niet langer tot last was. Dat werd zwaardvechter bij andere heren dan de Zanens, het meeste van de tijd in het leger van Brederode. Maar na verloop van jaren ging het vechten niet meer zo soepel meer en na enkele stevige verwondingen nam ik voorgoed afscheid van het ambacht van soldaat.

Ik deed tussen de gevechten door al steeds vaker verhalen vertellen, dus nu werd ik “full-time” verhalenverteller. Ik vernam dat de meeste verhalen, die verteld worden, bedacht zijn, dus niet waar, dus een (hele of gedeeltelijke) leugen. Om vergeving voor al dat “liegen” te zoeken, ging ik op pelgimstocht, van het ene heiligdom naar het andere (en er zijn nogal wat heilgdommen in onze gewesten), hoe meer hoe beter.

Ik reis tegenwoordig rond met een groep ambachtslieden, die zich verenigd hebben in het Verbond van Christóphoros. Maar om aan de kost te komen (eten en drinken kosten geld), blijf ik verhalen vertellen, hopelijk tot genoegen van mijn gehoor.